homepage :: excursies & dagtours : frederiksdorp

frederiksdorp

Frederiksdorp is een voormalige plantage aan de rechteroever van de Commewijne rivier die weer in originele staat hersteld is.

In 1747 werd gestart met de bouw van de Plantage Frederiksdorp. De eerste eigenaar en naamgever was de Duitser Johan Friedrich Knöffel. De naam Knöffel is later vernederlandst tot Knuffel. Van origine was het een koffieplantage, vanaf 1893 werd er cacao verbouwd.

Ook vestigden zich kleine landbouwers op het terrein. De plantage had in vroegere dagen een brede functie: er was een ziekenhuis, een politiepost en een gevangenis gevestigd.

De volgende één- en meerdaagse tours naar Frederiksdorp zijn mogelijk:

  • Eendaagse fietstour (met route beschrijving)
  • Eendaagse fietstour € 46,-
  • Eendaagse Commewijne boot tour € 65,-
  • Een daagse Commewijne bus tour € 73,-
  • Eendaagse fietstour (met route beschrijving)
  • Twee daagse fietstour met gids € 114,-
Interessante informatie
Tabak.

De moderne geschiedenis van tabak begint op 5 november 1492, op de dag dat de Spaanse zeevaarders Rodrigo de Jérez en Luiz de Torres rapport uitbrachten aan Christopher Columbus over hun verkenningstocht door de Cubaanse binnenlanden. Ze waren op het eiland getuige geweest van een merkwaardig ritueel. De indianen hadden rolletjes gemaakt van gedroogde bladeren, deze aangestoken en de rook 'gedronken', 'doorgeslikt', 'gekauwd' en 'opgezogen'. Doordat het werkwoord 'roken' destijds nog niet voorkwam in het Spaanse vocabulaire, konden de matrozen de activiteiten moeilijk verwoorden. Toen de Europeanen ten tonele verschenen werd tabak al duizenden jaren gebruikt.

Ten tijde van het eerste contact paste vrijwel iedere stam in Noord-Amerika, Midden-Amerika, Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied tabak wel op een of andere wijze toe. De bruine bladeren werden gerookt, gesnoven, gekauwd, gelikt en zelfs als klysma toegepast. Zuid-Amerikaanse en West-Indische indianen rookten sigaren, Midden-Amerikaanse volkeren sigaretten, terwijl in sommige delen van Mexico en in het oosten van Noord-Amerika een pijp werd opgestoken. Het gebruik van Noord-Amerikaanse Indianen om gezamenlijk één pijp te roken, heeft zijn wortels in de botanie. Het plantengeslacht Nicotiana telt ruim zestig soorten, waarvan er slechts twee door de Indianen werden geteeld.

In precolumbiaanse tijden werd door de Indianen die tropische gebieden bewoonden Nicotiana tabacum geteeld en gerookt, de soort waarvan tegenwoordig alle rookartikelen worden gemaakt. De Noord-Amerikaanse Indianen cultiveerden Nicotiana rustica, die vier maal zoveel nicotine bevat dan de eerstgenoemde soort. Volgens professor Schultes verklaart het hoge nicotinegehalte van de Noord-Amerikaanse tabak waarom de plant overwegend ceremoniële in plaats van recreatieve doeleinden diende. Het inhaleren van deze tabak had zo'n sterke uitwerking dat de pijp van hand tot hand moest gaan in een groep die groot genoeg was om de roker weer op adem te laten komen. Zuidamerikaanse Indianen geloofden dat tabak geneeskracht bezat. Van de medicinale toepassing van de tabaksplant door sjamanen wordt reeds in de 16e eeuw gewag gemaakt door Europeanen.

In Europa gold tabak aanvankelijk als een wondermiddel dat tegen alles, van slangenbeten tot malaria, hielp. In Londen heette pruim- en snuiftabak te beschermen tegen de Zwarte Dood (pest). De snel stijgende populariteit van het roken en het verslavende effect van nicotine zorgden voor een alsmaar groeiende markt.
::: About AST :: DMC :: contact :: email :::